Kamp C in 't kort
Kamp C wil de bouwsector helpen om te verduurzamen. Op Kamp C ontdek je tal van inspirerende demonstraties en kan je advies en opleidingen volgen. Werk samen met onze community aan de duurzame oplossingen van de toekomst.
Vooruitdenken over het einde dankzij materialenpaspoorten
In gesprek met doctoraatsstudente Amélie Halbach.
Met de renovatie van het Infocentrum tot Vonk wil Kamp C niet alleen een toekomstgericht gebouw realiseren, maar ook een leerproces op gang brengen. Circulariteit, hergebruik, biogebaseerde materialen en kennisdeling staan centraal. Niet alleen in het eindresultaat, maar ook onderweg. Daarom worden twee doctoraatsstudenten actief betrokken bij het renovatieproces. Hun onderzoek loopt mee met het project en voedt het debat rond biocirculair bouwen in Vlaanderen.
In dit eerste interview spreken we met Amélie Halbach, doctoraatsstudente aan de Faculteit Architectuur van de Universiteit van Luik. Haar onderzoek focust op materialenpaspoorten en design for disassembly, en de vraag hoe we vandaag al kunnen anticiperen op het hergebruik van morgen.
Anticiperen op hergebruik
Amélie studeerde in 2019 af aan de Universiteit van Luik en werkte daarna drie jaar in de architectuurpraktijk. Daar botste ze al snel op een frustratie: circulariteit bleek zelden een prioriteit. “Tijdens mijn masterthesis had ik daar veel interesse voor, maar in de praktijk merkte ik dat het vaak geen evidentie is. Er is weinig tijd of budget voor.” Die ervaring bracht haar ertoe om verder te graven in het onderwerp. Sinds september 2022 doctoreert ze aan de Universiteit van Luik.
Haar onderzoek draait rond hergebruik, op een specifiek moment. “Ik focus me op hoe we hergebruik kunnen faciliteren aan het einde van de levensduur van een gebouw,” legt ze uit. “De vraag is: hoe kunnen we vandaag al anticiperen op dat hergebruik, en hoe documenteren we dat op een manier die later nog bruikbaar is?”
Volgens Amelie zijn er twee essentiële voorwaarden. Ten eerste moet een gebouw zo ontworpen zijn dat het uit elkaar gehaald kan worden. Dit heet design for disassembly. Ten tweede is er nood aan goede documentatie. “We moeten weten wat er precies in een gebouw zit en hoe het in elkaar zit, zodat die informatie ook bij de juiste persoon terechtkomt wanneer het gebouw wordt aangepast of ontmanteld.”
Nieuwbouw of renovatie
Of het nu om nieuwbouw of renovatie gaat, de uitgangspositie verschilt. “Bij nieuwbouw kunnen we van nul starten. Dan kunnen we heel bewust bepalen welke informatie we willen meegeven aan de volgende generatie.” Bij renovatie is de uitdaging anders: “Dan kijk je naar wat er al is, wat ontbreekt en hoe je verder bouwt op bestaande informatie, zodat je op het einde van de levensduur op hetzelfde niveau als nieuwbouw uitkomt.”
Volgens Amelie is die manier van denken vandaag nog lang geen standaardpraktijk. “Het is vaak geen prioriteit. Net daarom zie ik mijn doctoraat ook als een zijstap: om dit verder te onderzoeken en hopelijk mee in de praktijk te brengen.”
Geen nieuw idee
Ontwerpen voor demontage is volgens Amélie geen nieuw concept. “Vroeger bouwden we altijd zo. Pas later zijn we materialen op een manier gaan verbinden die moeilijk of niet omkeerbaar is.” De hernieuwde aandacht voor demontabel bouwen kreeg in 2020 wel een belangrijk duwtje in de rug met een ISO-norm die de principes van aanpasbaar en demontabel bouwen vastlegt. “Daarin wordt ook expliciet benadrukt hoe belangrijk documentatie is. En net daar ligt mijn focus: als we demontabel ontwerpen, hoe zorgen we er dan voor dat die kennis niet verloren gaat?”
Een materialenpaspoort als collectief instrument
Voor Amélie is een materialenpaspoort een cruciaal hulpmiddel om die documentatie te structureren. “Het is een manier om informatie te verzamelen, te ordenen en toegankelijk te maken.” Belangrijk daarbij is dat het geen individuele verantwoordelijkheid is. “Ik zie het echt als een collaboratief verhaal, waarbij verschillende partijen samenwerken.”
Wie dan precies welke rol opneemt, is vandaag nog niet altijd duidelijk. “Uit mijn onderzoek blijkt vooral dat het eerder een organisatorisch dan een technisch probleem is. Het gaat over samenwerking.” Ze kijkt daarom niet alleen naar welke informatie nodig is, maar ook naar hoe teams georganiseerd zijn en hoe digitale tools zoals BIM dat proces kunnen ondersteunen.
De gekozen samenwerkingsvorm kan daar volgens haar een rol bij spelen. “In een bouwteam zijn partijen bijvoorbeeld geneigd om vroeger samen te zitten en vooraf doelen vast te leggen. Dat helpt om rollen en verantwoordelijkheden duidelijker te maken.”
Gedeelde verantwoordelijkheid, gedeelde kosten
Ook de financiële kant is complex. Wie betaalt voor het opstellen en bijhouden van een materialenpaspoort? “Mijn standpunt is dat het een gedeelde verantwoordelijkheid is.” In haar onderzoek onderscheidt Amelie vier kernactoren: de architect, de aannemer, de fabrikant en de opdrachtgever. “Zij moeten samen het initiatief nemen.”
Na de oplevering verschuift de verantwoordelijkheid vaak naar de opdrachtgever. “Het team valt weg, maar de informatie moet wel onderhouden worden tot een volgende renovatie of demontage. Je kan het zien als een cyclus: bij elk nieuw project wordt het materialenpaspoort verder aangevuld.”
Amelie wijst ook op het belang van alternatieve businessmodellen. “In een functionele economie kan een fabrikant eigenaar blijven van zijn producten en zo mee instaan voor de documentatie en het eindelevensscenario.” Dat maakt de rol van fabrikanten cruciaal. “In interviews hoor ik vaak dat materialen niet ontworpen zijn voor demontage, of dat informatie ontbreekt. Net daarom moeten fabrikanten mee aan tafel.”
Investeren voor de volgende generatie
Een van de grootste obstakels blijft de lange termijn. “Degene die vandaag investeert, is vaak niet degene die er later de voordelen van plukt.” We spreken over 50 jaar of meer. “Dat maakt het moeilijk om die investering nu te verantwoorden.”
Amelie maakt graag de vergelijking met bosbouw. “Bomen worden geplant voor de volgende generatie. De bosbouwer heeft er zelf niets aan, maar doet het wel. Waarom zouden wij dat niet doen in de bouwsector?”
Onderzoek in en met de praktijk
Omdat het probleem vooral organisatorisch is, betrekt Amelie actief mensen uit de praktijk in haar onderzoek. Ze voerde ondertussen 18 interviews met actoren die op verschillende momenten in de levenscyclus van een gebouw betrokken zijn. Daarnaast werkt ze met casestudies en action research.
In de case studies houdt ze zich bezig met gebouwen die al gebouwd zijn en waar gefocust wordt op demontabiliteit, maar waar ze wel voor een andere documentatiestrategie kozen. Ofwel zeer technologisch, ofwel projecten waar er net minder naar gekeken is. Zo onderzoekt ze wat de verschillende manieren van werken zijn.
Die action research loopt op Kamp C, binnen de renovatie van het Infocentrum tot Vonk. “Dat is voor mij een unieke kans om het proces live te volgen. Niet alleen het resultaat, maar vooral de gesprekken onderweg zijn waardevol.” Ze merkt dat zelfs bij teams die overtuigd zijn van circulariteit, hindernissen blijven opduiken. “Dat van dichtbij meemaken is enorm leerrijk.”
Vonk als leerproject
Voor Amelie is Vonk een bijzonder interessante case. “Het is een renovatie, met bestaande documentatie, maar ook met hiaten. Dat toont heel scherp welke informatie belangrijk is en wat er vandaag vaak ontbreekt.” Het project heeft geen apart budget voor een uitgebreid materialenpaspoort, maar net dat maakt het relevant. “Hoe kunnen we met beperkte middelen toch een ‘minimum viable product’ ontwikkelen? Iets low-tech, kostenefficiënt, maar wel doordacht.”
Volgens haar zit de winst niet in meer werk, maar in bewuster omgaan met informatie die er vaak al is. “Het gaat erom mensen te tonen welke waardevolle kennis ze in handen hebben en hoe ze die kunnen doorgeven.”
Geen one-size-fits-all
Amélie werkt niet toe naar één sluitende oplossing. “Ik zie het eerder als een spectrum. Per project moet je zoeken naar een evenwicht: wat moet echt demontabel zijn, en waar is dat minder zinvol? Misschien moeten we onze energie vooral steken in bouwlagen die vaak veranderen, zoals binnenwanden of de schil.”
Hetzelfde geldt voor digitalisering. “Digitale tools bieden kansen, maar we moeten erover waken dat wat we vandaag ontwikkelen ook over decennia nog bruikbaar is.” Daarom pleit ze voor een gemeenschappelijke ruggengraat in elk gebouw: een minimale standaard waarop verder gebouwd kan worden, digitaal of niet.
Met haar onderzoek verbindt Amelie theorie en praktijk, vandaag en morgen. Vonk wordt zo niet alleen een gebouw, maar ook een levend leerproces — met materialenpaspoorten als dragers van kennis, klaar voor een volgende generatie.