Ga verder naar de inhoud
Interview
13/01/2026

Vooruitdenken over het einde dankzij circulaire aanbestedingen

In gesprek met doctoraatsstudente Karen Steukers.

Met de renovatie van het Infocentrum tot Vonk, het Vlaams Innovatiecentrum voor Biogebaseerd Bouwen, wil Kamp C niet alleen een toekomstgericht gebouw realiseren, maar ook een leerproces op gang brengen. Circulariteit, hergebruik en kennisdeling staan centraal — niet alleen in het eindresultaat, maar ook onderweg. Daarom worden twee doctoraatsstudenten actief betrokken bij het renovatieproces. Hun onderzoek loopt mee met het project en voedt het debat rond circulair bouwen in Vlaanderen.

In dit tweede interview spreken we met Karen Steukers, doctoraatsstudente met een achtergrond als ingenieur-architect en ervaring bij Rotor vzw, een Brusselse pionier in hergebruik. Haar onderzoek focust op een vaak onderschatte hefboom voor circulair bouwen: het Belgische aanbestedingskader.

Van thesis naar praktijk

Karen volgde een opleiding tot ingenieur-architect en ging na haar studies aan de slag bij Rotor. Die keuze was geen toeval. Al tijdens haar thesis onderzocht ze hoe hergebruik van bouwmaterialen geïntegreerd kan worden in overheidsopdrachten, aan de hand van een concrete case bij de universiteit.

“Dat was voor mij de introductie tot het hele vraagstuk,” vertelt ze. “Aan de ene kant heb je het orgaan van overheidsopdrachten en de regelgeving errond, aan de andere kant heb je de bouwpraktijk die vanuit een duurzaamheidsvisie wil inzetten op hergebruik. Hoe kunnen we die twee samenbrengen?”

Bij Rotor kreeg ze de kans om dat spanningsveld van dichtbij te ervaren. Dankzij advieswerk zag ze hoe hergebruik in de praktijk vorm krijgt, maar ook waar het vastloopt. Die ervaring vormde de basis voor haar doctoraat, dat dieper ingaat op circulaire aanbestedingen.

Overheidsopdrachten als hefboom voor de markt

Een hypothese in Karens onderzoek is dat overheidsopdrachten veel meer kunnen zijn dan een administratieve verplichting. Ze kunnen een actieve hefboom zijn om de markt te sturen en hergebruik van bouwmaterialen te bevorderen.

Ze vertrekt daarbij van een herkenbare realiteit: vandaag bestaat er een aanbestedingscultuur waarin standaardbestekken circuleren en clausules vaak worden gekopieerd. “Die documenten zijn soms verouderd en bevatten te veel copy-paste,” zegt Karen. “Ik had zin om deze documenten opnieuw te bestuderen en er creatief aan te sleutelen.”

Voor haar zit net daar een ontwerpopgave. Door administratieve documenten opnieuw te bekijken en te herdenken, kunnen publieke opdrachtgevers duidelijke signalen geven aan de markt. De schaal van de overheid maakt dat effect volgens haar krachtig. “Als er op regionaal niveau duurzame opdrachten op de markt komen, moeten andere spelers wel mee ontwikkelen.”

Ze ziet tegelijk dat veel bouwbedrijven wel degelijk klaar zijn om duurzaam te werken, maar dat het hen vandaag niet altijd makkelijk wordt gemaakt. “Ze moeten blijven concurreren met niet-duurzame alternatieven, zolang een opdracht dat niet afdwingt.”

Voor Karen hoeft circulariteit bovendien niet te wachten op nieuwe regelgeving. “Vooruitstreven op wetgeving is superrelevant,” stelt ze. “Op vlak van energie is er al verregaande wetgeving. Het is te makkelijk om circulair bouwen te laten hangen omdat de wetgeving er nog niet is. We moeten duurzaamheid integraal benaderen en circulariteit vanuit een eigen impuls meenemen.”

Waarom case studies onmisbaar zijn

Karen baseert haar doctoraat op hedendaagse Belgische publieke opdrachten en kiest daarbij bewust voor case studies, waaronder ’t Centrum en Vonk op Kamp C. Dat is geen toevallige keuze. “Mijn onderzoek focust op publieke opdrachtgevers in België. Dat zijn al heel wat aannames. Case studies helpen me om binnen die context projectspecifiek naar processen te kijken.”

Hergebruik van bouwmaterialen is altijd contextgebonden. Het hangt af van lokale netwerken, beschikbare materialen, het type gebouw en de aanwezige kennis. “Als je enkel theoretisch werkt, riskeer je dat randvoorwaarden en randfactoren onderbelicht blijven.”

Ze wil in totaal een twintigtal case studies verzamelen. Eerst analyseert ze deze op basis van projectdocumentatie, nadien verdiept ze via stakeholderanalyses en interviews met de opdrachtgevers. Niet alleen succesverhalen komen in aanmerking. “Het is voldoende dat de ambitie tot hergebruik er was, zelfs als het niet gelukt is. Ik wil zowel opportuniteiten als hindernissen in kaart brengen.”

Van ambitie naar realiteit

Die hindernissen zijn er volgens Karen. Een belangrijke drempel is dat niet elke opdrachtgever met dezelfde kennis aan een project start. “Kamp C is een interessante case omdat het een opdrachtgever is met veel expertise in-house. Dat is bij andere opdrachtgevers niet altijd het geval.”

Daarnaast spelen tijd en middelen een grote rol. Publieke opdrachtgevers hebben beperkte capaciteit en moeten veel tegelijk doen. Karen merkt dat succesvolle projecten vaak vooraf ondersteund worden via subsidies of testfases. “Zonder die ondersteuning zijn er voor lokale besturen al snel veel eerste hindernissen.”

Ook personeelscapaciteit blijft een knelpunt. Veel opdrachtgevers geven aan dat ze iemand nodig hebben die zich voltijds met circulariteit en hergebruik kan bezighouden. Tegelijk ziet Karen over haar case studies heen een grote diversiteit aan aanpakken. “Er zijn heel veel strategieën. Dat maakt het moeilijk, maar het maakt mensen ook creatief. Er is niet één oplossing.”

Wat ze met haar onderzoek wil bereiken, is dan ook geen strak stappenplan met één juist antwoord. Haar doel is tweeledig. Enerzijds wil ze kennisuitwisseling tussen opdrachtgevers stimuleren, bijvoorbeeld door het organiseren van workshops waarin ervaringen gedeeld worden. “Dat lijkt eenvoudig, maar dat is het niet. Veel kennis blijft hangen bij subsidies en pilootprojecten en sijpelt nog onvoldoende door naar lokale besturen.”

Anderzijds wil ze wel degelijk praktische output genereren, maar in de vorm van scenario’s. Door verschillende ervaringen en contexten in kaart te brengen, kunnen opdrachtgevers zich herkennen in bepaalde situaties en daaruit leren. De zoektocht naar het juiste format daarvoor maakt deel uit van haar onderzoek. Workshops ziet ze alvast als een directe en waardevolle eerste stap.

Vonk in de praktijk

Naast haar analyse van afgeronde projecten volgt Karen ook actief het bouwteamoverleg van de renovatie van Vonk. Dat ervaart ze als bijzonder waardevol. “Je hebt een voet in de praktijk,” zegt ze. “Je ziet hoe er in het moment zelf wordt gediscussieerd en samengewerkt.”

Waar case studies achteraf soms abstract blijven, maakt het bouwteam het proces tastbaar. Zeker omdat het bouwteam binnen publieke opdrachten een relatief nieuwe samenwerkingsvorm is. Karen merkt hoe oude gewoontes en nieuwe modellen naast elkaar bestaan. “Er wordt een nieuw samenwerkingsmodel gepresenteerd, maar actoren brengen ook nog traditionele reflexen mee.”

Die spanning maakt het net interessant. Ze ziet hoe beslissingen zelden bij één actor liggen en hoe het gesprek zelf een motor wordt van het bouwproces. Tegelijk wordt duidelijk dat samenwerking ook oefening vraagt: hoe experimenteel durft een overleg zijn, en hoe verlaat elke actor zijn comfortzone?

De inzichten die Karen hier opdoet, verwerkt ze via observaties in haar onderzoek. Dat gebeurt deels volgens klassieke academische methodes, maar het project raakt ook aan action research. “Door het proces live te volgen, kunnen we ook interveniëren. Als er hergebruikgerichte vragen komen, worden Amélie en ik vaker betrokken.”

Ze merkt dat ze zo mee deel wordt van de vragen en problemen die op tafel liggen. Dat levert niet alleen inspiratie voor het bouwteam op, maar ook waardevolle inzichten voor haar doctoraat.

Karen kiest bewust voor Kamp C, met ’t Centrum en Vonk als praktijkcases. Ze ziet Kamp C als een geëngageerde opdrachtgever die bereid is om risico’s te nemen en te experimenteren met nieuwe processen. In ’t Centrum gebeurde dat via nieuwe gunningscriteria en een DBME-formule, bij Vonk via een nieuwe samenwerkingsvorm.

Die bereidheid om te testen en te leren maakt deze projecten voor haar bijzonder relevant. Ze tonen wat mogelijk is wanneer opdrachtgevers hun voorbeeldrol opnemen — ook al blijft de vertaalslag van visie naar praktijk complex. “Die vertaalslag is niet altijd even makkelijk,” besluit Karen. “Maar ik voel wel dat er steeds meer aandacht voor is. En dat we er niet meer onderuit kunnen om eraan te beginnen.”

Dit onderzoek wordt gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek - Vlaanderen (FWO), subsidienummer 1S60825N.