Kamp C in 't kort
Kamp C wil de bouwsector helpen om te verduurzamen. Op Kamp C ontdek je tal van inspirerende demonstraties en kan je advies en opleidingen volgen. Werk samen met onze community aan de duurzame oplossingen van de toekomst.
'Genoeg' als ontwerpdoel: de technieken in Vonk
Wanneer architecten en aannemers een bestaand gebouw onder handen nemen, is de verleiding soms groot om schoon schip te maken. Nieuwe systemen, nieuwe installaties en een frisse start. Maar bij de renovatie van het Infocentrum tot Vonk kozen ingenieur technieken Pia Willems (abt be) en architect-adviseur Jens Verley (Kamp C) samen met het bouwteam voor een andere aanpak. Eén die vertrekt van wat er al aanwezig is en die zich afvraagt: hoe halen we daar het meeste uit?
Het Infocentrum werd in 2003 gebouwd als startpunt van wat later zou uitgroeien tot Kamp C. Drieëntwintig jaar later blijkt het een verrassend goed vertrekpunt. In de bouwkundige schil zaten al heel wat technieken ingebouwd die het binnenklimaat op een passieve manier reguleren: natuurlijke ventilatie via grondbuizen, een trombewand die zonne-energie omzet voor verwarming, en een lichtstraat bovenaan die opengesteld kan worden voor nachtkoeling. Een groot aanbod, dat echter lang niet optimaal benut werd.
“Door de jaren heen en door personeelswissels binnen Kamp C ging kennis over de werking van het gebouw verloren,” legt Jens Verley uit. “Het systeem was weinig geautomatiseerd. De elementen waren aanwezig, maar de regeling ervan was erg afhankelijk van de mensen in het gebouw.”
De renovatie pakt dat aan. Er worden sensoren geplaatst die op basis van temperatuur en binnencondities automatisch bepalen wanneer ramen openen of sluiten zinvol is. De grondbuizen worden beter geregeld, de trombewand beter aangestuurd, en er wordt extra gemotoriseerd. De bouwkundige schil blijft behouden, maar wordt waar nodig opgefrist met gerichte instandhoudings- en renovatiewerken.
Van gasketel naar geothermie?
Een belangrijke keuze in de renovatie is de overstap van fossiele verwarming naar een toekomst in een fossielvrij systeem. De bestaande gasketel maakt plaats voor een warmtepomp, gekoppeld aan een BEO-veld. Grondwarmte wordt hierbij benut om water op te warmen, waarna de warmtepomp dat verder optilt naar de temperatuur die nodig is voor de vloerverwarming die al in het gebouw aanwezig was.
Datzelfde systeem levert ook zomercomfort. Door de bodem in de winter te koelen, bouw je namelijk een koudereserve op die je in de zomer via diezelfde vloerverwarming in het gebouw kunt afgeven. Twee vliegen in één klap. Aanvullend worden ook geautomatiseerde buitenzonweringen geplaatst om warmtelasten te beperken, vertelt Pia Willems: “De zon buiten houden op het moment dat ze niet welkom is, maar in de winter kunnen we ze wel benutten als gratis warmtebron.”
Toch is er één addertje onder het gras. Een aantal ruimtes heeft nog klassieke radiatoren die ontworpen zijn voor hogere temperaturen dan de warmtepomp voor dit gebouw kan leveren. De oplossing is pragmatisch: de gasketel blijft voorlopig hangen als tijdelijke back-up. “We werken met een soort hybride systeem, waarbij de warmtepomp de hoofdbron is, maar waarbij de radiatoren een heel korte periode van het jaar extra verwarmd worden via de gascondensatieketel om putje winter de gewenste temperatuur in enkele ruimtes te halen.” Die noodzaak zal voornamelijk liggen bij de lokalen op het tweede verdiep, die in deze renovatie nog niet aangepakt worden. De keuze voor dit hybride systeem is daarbij ook bewust: geen onnodige sloopwerken, geen nieuwe vloeropbouw voor ruimtes waarvan de bestemming nog niet vaststaat. Het is, bij nader inzien, een eerste toepassing van het principe van ‘sufficiëntie’ dat de hele renovatie doortrekt.
Sufficiëntie als ontwerptaal
Misschien wel het meest opvallende aan de aanpak is hoe consequent het principe van sufficiëntie – oftewel: niet meer dan nodig – door het hele ontwerp loopt. Het gebouw wordt ingedeeld in verschillende comfortzones, met eigen eisen. In de exporuimte, waar mensen voornamelijk zullen rondwandelen, volstaat een lagere temperatuur dan in ruimtes waar bezoekers stilzitten: “In de wintercondities zou het wel eens kunnen dat we daar maar 16°C hebben.”
Dat klinkt misschien frisjes, maar zo is het net ontworpen: wie het gebouw binnenstapt, passeert eerst de exporuimte als een soort technische sluis, en beweegt dan naar beter geconditioneerde zones. Comfort waar het nodig is, en dus niet overal tegelijk.
Diezelfde logica stuurt ook de luchtdistributie in Vonk. Er is één luchtgroep met een beperkt debiet, en dus niet drie keer zo groot gedimensioneerd voor maximale bezetting in alle ruimtes tegelijk, wat in een klassiek verhaal wel zou gebeuren. In plaats daarvan wordt CO2 gemeten per ruimte. Stijgt de CO2 doordat er mensen aanwezig zijn? Dan opent er automatisch een regelklep en gaat de lucht daarheen waar ze nodig is. Slim en sufficiënt.
Een bijzondere uitdaging hierbij was het nieuwe auditorium, dat plek biedt aan 150 aanwezigen. Dat bracht een programmawijziging van het gebouw met zich mee. De bestaande luchtgroep in Vonk was daar niet op voorzien. De oplossing? Extra natuurlijke ventilatie als versterking, ingebakken in het ontwerp, zonder het hele systeem te herdenken.
Experimenteren
Naast de technische renovatie is Vonk ook een platform voor experimenten, als het Vlaams Innovatiecentrum voor Biocirculair Bouwen. Zo komen er via het Europees project PV Resilience demo-opstellingen op het gebouw. Geen overbodige luxe, want een goed gedimensioneerde PV-installatie blijft één van de meest rendabele manieren om ter plaatse hernieuwbare energie op te wekken.
Naast de vertrouwde technieken is er ook ruimte voor experimenten die nog volop in ontwikkeling zijn. Zo test BioOrg een systeem waarbij probiotica worden ingelast in het ventilatiesysteem. De bacteriën verminderen geurhinder, breken stofdeeltjes af en verlagen de hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de lucht. Op het dak van de kapel, die gedeeltelijk blijft staan, komt dan weer een levend mosdak. Dat wordt kunstmatig in leven gehouden door de verneveling van regenwater en zal helpen om CO2 in zuurstof om te zetten. Beide systemen werken autonoom. Hun exacte bijdrage aan het grotere geheel is hierdoor moeilijk te kwantificeren. Maar misschien is dat net het hele punt? “Wij zijn blij dat we ermee experimenteren en dat het getoond wordt,” voegen Pia en Jens toe. “De belangrijkste boodschap van het project is de mensen tonen wat er vandaag al kan.”
En dat is ook de bredere les van Vonk. Niet alles wat werkt, hoeft vernieuwd te worden. Niet alles wat bestaat, hoeft vervangen te worden. Soms is de slimste renovatie degene die begint met goed te kijken naar wat er al is, en die vervolgens de moed heeft om er sufficiënt mee aan de slag te gaan.